Skip to main content

'Een kind heeft behoefte aan stabiliteit'

Dinsdag 14 november presenteerden SOS Kinderdorpen en de Universiteit van Amsterdam (UvA) de resultaten van het onderzoek naar ‘De effecten van sociale uitsluiting van jongeren die de zorg hebben of gaan verlaten’. Kwetsbare jongeren, die net als bijna alle jongeren wereldwijd op die leeftijd, voor verschillende uitdagingen staan: studiekeuze of het vinden van een baan, woonruimte zoeken, het aangaan van stabiele sociale relaties, bewustwording. Echter, voor jonge zorgverlaters is deze overgang vaak nóg lastiger. Uit ons onderzoek -gehouden onder 340 jongeren (SOS jongeren en jongeren uit andere zorginstanties) uit zes verschillende landen- komt naar voren dat ze het gevoel hebben niet goed voorbereid te zijn, er alleen voor te staan, anders te worden behandeld dan wel moeite hebben met het maken van zelfstandige beslissingen. Ze hebben bovendien het gevoel niet gehoord te worden. Een verslag van de inzichten van drie Nederlandse zorgverlaters en dr. Nicky Pouw van de UvA die naar voren kwamen tijdens het interview en publieksvragen naar aanleiding van de presentatie.

Wat vind je van het onderzoek?

Marit: “Het eerste wat er in mij opkwam: halleluja, eindelijk is er onderzoek gedaan. Zelf weet je al dat deze problemen en gevoelens spelen, maar het is goed dat het nu eindelijk zwart op wit staat.” Iris vult aan: “De uitkomsten zijn ook herkenbaar voor mij. In Nederland stopt pleegzorg bij 18 jaar en dan sta je er alleen voor. Het contact met mijn pleegouders was niet heel goed en die waren er vanaf dat moment niet meer voor me. Dat is lastig. Praktisch lukt het allemaal wel, maar emotionele zaken; dat is toch iets anders. Het laatste jaar in pleegzorg vond ik heel spannend, had vaak het gevoel: ‘ze kunnen mij er straks gewoon uitkicken’. Ik voelde me minder vrij om dingen aan te kaarten binnen mijn pleeggezin en bij mijn begeleider. Had het gevoel dat ik het zelf moest doen.”

 

 

Ankili (26) werd op haar vierde uit huis geplaatst en groeide op in een pleeggezin – vanaf haar vijfde binnen hetzelfde pleeggezin.

Iris (23) werd op haar vierde uit huis geplaatst wegens mishandeling en verwaarlozing. Eerst woonde ze een half jaar bij haar opa en oma en vervolgens bij een pleeggezin.

Marit (27) werd opgevangen in een pleeggezin, omdat het thuis tijdelijk niet goed ging. Haar ouders vingen zelf ook pleegkinderen op.

Ankili herkende zichzelf niet in de resultaten van het onderzoek: “Ik ken het gevoel van uitsluiting niet, ik ben fijn opgevangen. Mijn pleegouders zien mij als dochter en ik hen als mijn ouders. Ik ben in die zin uitzondering en dat bevestigt alleen maar de uitslagen van het onderzoek. Jongeren ervaren uitsluiting. Het is heel belangrijk om pleegkinderen én pleegouders de begeleiding te bieden die ze nodig hebben. Kinderen hebben heftige dingen meegemaakt.  Dat blijft onderdeel van je leven en dat kun je niet ontkennen. Maar de manier wáarop het onderdeel uitmaakt van je leven, wordt voor een belangrijk deel bepaald door de begeleiding die je krijgt. De veronderstelling is dat je er klaar voor bent op je 18e, maar het is niet (per sé) zo dat ‘hoe ouder je bent, hoe kleiner de rol van je verleden in je leven is’.  Ik merkte bijvoorbeeld juist dat toen ik ouder werd, ik me bewuster werd van de verschillen tussen mij en mijn pleeggezin – óndanks dat ik ze zie als familie - en van de problemen van mijn biologische ouders.”

“Ik vind het belachelijk dat je als 17-jarige het idee kunt hebben, dat je er als 18-jarige gewoon uitgezet kunt worden”, vervolgt Ankili. “Dat zou niet mogen bestaan. Je kiest als familie voor pleegzorg en niet tot 18 jaar, maar voor het leven.”  Iris: “Ik heb geen contact meer met mijn biologische ouders gehad. De rol van biologische ouders en dus van pleegouders wanneer dat contact er niet meer is, is juist heel belangrijk na je 18e. Zij vormen het vangnet als het even niet zo goed gaat of niet weet wat je moet doen.”

Nicky Pouw: “Dit was één van de grote overeenkomsten uit het onderzoek: jongeren hebben het gevoel zonder vangnet te zijn na de zorg. Ze voelen zich in de steek gelaten door de maatschappij, voelen zich verschoppelingen die tot last zijn van de maatschappij en dat is schokkend.”

Hoe de transities het beste te regelen?

Marit: “Het is belangrijk dat de overgang goed is. Dat je een vaste begeleider hebt, waar je contact mee houdt, die contact met je legt. Nu is het vaak zo dat je steeds wisselende begeleiders hebt, dat je steeds hetzelfde verhaal moet vertellen. Opgegeven moment heb je er geen zin meer in. En, vraag het de jongeren zelf: wat heb je nodig? En geef hier terugkoppeling op: ‘dit heb ik gedaan, is dat wat je bedoelde’. Betrek ons en luister daadwerkelijk.”

Iris: “En het is heel belangrijk dat je er bent en blijft. Nummer één waar elk kind behoefte aan heeft: stabiliteit. Een overgang is natuurlijk moeilijk, maar er zal gewenning en vertrouwen groeien. Je moet een pleegkind de mogelijkheid bieden zich weer te hechten.”

“Het grootste probleem is inderdaad de transities”, duidt Nicky Pouw. “Telkens weer die breuk. Hechting is bepalend voor de sociale en emotionele ontwikkeling. Hoe meer transities, hoe meer jongeren zich terugtrekken. Dat leidt tot zelfuitsluiting. Ze trekken zich terug vanuit een negatief verwachtingspatroon: ze anticiperen op een nieuwe relatiebreuk (met begeleiders en/of pleegouders, red.). Terwijl ze hen juist nodig hebben om zich te kunnen ontwikkelen.”

Ook contact met andere jongeren die in de zorg zijn opgegroeid is belangrijk. Marit: “Het is fijn om bij ‘gelijken’ te zijn, ervaringen te delen, jezelf te kunnen zijn.” Iris: “We hebben veel onderling contact, daar heb ik veel aan (gehad). Dat gun ik elk kind. Het is een verademing dat je niet de enige bent, dan voel je je niet meer zo raar. Ja, dat zou goed zijn om te creëren: een plek waar jongeren samen kunnen komen en met elkaar kunnen praten en delen.”

“Maar, zoals Ankili ook al aangaf, ook pleegouders moeten betere begeleiding krijgen”, zegt Iris. “Je kunt nooit in het hoofd van een kind kijken, weet niet wat het allemaal met zich meedraagt. Het is voor veel  pleegouders een grote uitdaging om de juiste ondersteuning te bieden. Het kost veel energie en er komt soms niks terug. Dat kan uitputtend zijn.”

Welke rol spelen de biologische en/of pleeg broers en zussen?

Iris: “De band met mijn pleegbroer en zus is heel klein. We zijn zo anders, bijna tegenpolen. Er is wel contact en ik voel me wel gewoon tante over hun kinderen, maar we hebben elkaar niks te vertellen. Mijn drie halfbroers uit een eerder huwelijk van mijn vader zijn pas in mijn leven gekomen toen ik 16 was. Dat vind ik heel jammer. Het contact met mijn biologische familie van mijn vaders kant werd bij de uithuisplaatsing verbroken. Ik kan me die scheiding niet herinneren, heb daar in het begin ook niet veel bij stilgestaan. Maar op het moment dat ik mijn broers ontmoette, ben ik heel boos geweest. Tijdens mijn puberteit heb ik me veel afgevraagd waar ik vandaan kwam, maar daar werd geen aandacht aan besteed. Ik ben op iedereen boos  geweest hierom. Waarom zijn wij uit elkaar gehaald, waarom was er geen contact of kon dat niet? Nu ben ik niet meer boos, want ik kan er niks meer aan doen. Maar het zou niet zo moeten. Ik heb juist veel aan mijn oudste broer, we lijken op elkaar. Ik kan alles met hem bespreken.”

Ankili: “Ik heb een biologische broer. Ik ben niet met hem opgegroeid, hij heeft altijd in tehuizen gewoond. Hij is autistisch en heeft eigen ideeën en denkbeelden over de maatschappij. Dat maakt het contact soms lastig. Maar ik heb wel veel herkenning qua uiterlijk. Mijn pleegouders hebben mijn biologische familie wel altijd een plekje gegeven: ‘ze hebben het niet allemaal goed gedaan, maar het zijn wel je ouders’.  Het heeft mij heel erg geholpen dat er altijd ruimte was om mijn vragen te stellen, over wat er thuis was gebeurd. Al stelde ik ze 20 keer.  Ook mijn pleegzus is heel belangrijk voor mij geweest. Zij heeft me vanaf het moment dat ik bij het gezin kwam wonen als haar zusje omarmd."

Marit: “Ik heb biologische en pleeg broers en zussen. Mijn biologische zus speelt nu een belangrijke rol, omdat ik bij haar boos kan zijn over mijn biologische ouders. Ik heb haar nodig om een volgende stap te kunnen zetten in mijn contact met mijn ouders. Ik had thuis altijd ruzie met iedereen, dus toen ik ergens anders woonde was ik blij dat dat gevecht weg was. Maar de basis, dat wat ik kende, was weg. En dat is moeilijk.”

Nicky: “De connectie met je biologische familie, ongeacht wat er is gebeurd, blijft een rol spelen. Dus daar moet je iets mee.”

stippellijn-grijs-horizontaal_1.png

Met dit onderzoek, uitgevoerd door onderzoekers van de Universiteit van Amsterdam, wil SOS kinderdorpen kwetsbare jongeren uit de zorg een stem geven en hun problemen op de nationale en internationale ontwikkelingsagenda’s zetten. Want ook deze jongeren verdienen een oprechte kans op een toekomst waarin zij hun aspiraties en dromen kunnen waarmaken.

Lees de onderzoeksresultaten